Samangat!
Moluks in Amsterdam

    Molukse marinemensen in Amsterdam

    door Herman Keppy

    6 BC 02798 0021 Ton

    Marinemonument. Foto: Eva van Kesteren

    In 1951 arriveerden zo’n 4000 voormalige militairen van het het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) in Nederland, al of niet met gezin. Maar ook, en ook dat is minder bekend, een contingent schepelingen van de Koninklijke Marine – ongeveer honderddertig. Het KNIL was opgeheven, de mannen waren eerloos ontslagen, zij en hun gezinnen werden opgevangen in kampen, waar ze in feite geïsoleerd van de Nederlandse maatschappij veel te lang bleven. Met alle nadelige gevolgen van dien. 

    De Koninklijke Marine was niet opgeheven, de Molukse marinemannen die – de één met, de ander zonder gezin – door een speling van het lot naar Nederland kwamen, bleven in dienst. Onder hen mannen die hadden gevochten tegen de Japanners, in krijgsgevangenschap hadden gezeten en/of later aan Nederlandse kant hadden gestreden in de Indonesische revolutie. Zij kregen na een eerste tijdelijke opvang gewone woningen toegewezen, in met name Den Helder, Loosdrecht, Hilversum en Amsterdam.

    In Amsterdam vonden de marinemensen over het algemeen een welkom thuis. Voor hun geen tochtige barakken met een gaarkeuken en prikkeldraad rondom. In Amsterdam, in West en de westelijke tuinsteden, groeiden de kinderen op tussen Nederlandse en ook Indische mensen. Niet met de afstand tot de Nederlandse maatschappij waarmee de volksgenoten in het kamp en later de wijk werden geconfronteerd. Met alle voordelen van dien. De tweede en derde generatie Molukkers in Amsterdam kampen bijvoorbeeld niet of nauwelijks met de taalachterstand, afstand tot de arbeidsmarkt en het onbehagen waarmee helaas zo vaak de mensen in de Molukse wijk elders worstelen.

     

    Tegelijkertijd was het in Amsterdam, in 1602, dat de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) werd opgericht. Die voerde op de Molukken een ontzaglijke terreur uit die leidde tot onnoemelijk veel leed. De specerijen uit de Oost, maar ook het wapentuig dat tegen de bewoners van de Molukken werd ingezet, lagen in het Zeemagazijn bij Kattenburg opgeslagen. Het was het begin van een koloniaal bewind, waarbij de oorspronkelijke bewoners van Indonesië tot derderangsburgers werden gereduceerd. Zij kregen nooit dezelfde kansen als de Nederlanders en Indische Nederlanders, zij werden gediscrimeerd.

    Voor Molukse jongens was vaak het militaire vak de enige optie op een aanvaardbaar bestaan. De mannen, die we op woensdagmorgen 29 april aanstaande willen eren, kozen voor de Koninklijke Marine. In Nederland weet bijna niemand meer dat een groot deel van de bemanning op de schepen van de Koninklijke Marine in Nederlands-Indië bestond uit Indonesiërs, met name Javanen, Minahassers, Timorezen en Molukkers.

    De Indonesiërs deden precies hetzelfde werk of meer als hun Nederlandse collega’s, maar verdienden tot 1942 slechts een derde van wat de Hollanders verdienden. Aan boord van die trotse schepen als De Ruyter, De Java, De Zeven Provinciën kregen ze een eigen inlandersverblijf toebedeeld, apart van de Nederlandse bemanning. Aan wal, in Surabaya, woonden ze in een eigen wijk, apart van de Hollanders.

    Ze hadden ook eigen vakbonden, maar als een bestuurder, in de ogen van de autoriteiten, iets aankaartte, geeft niet wat, werd hij ontslagen. Uiteindelijk werden de marinevakbonden ook verboden. Het ging er vooral om ‘de inlanders eronder te houden’ en goedkope arbeidskrachten te blijven betrekken. Daarvan waren de Indonesische marinemannen zich bewust. Maar ze berustten erin, want veel andere kansen dan het militaire vak waren er niet.

    Het koloniale systeem was inhumaan, verfoeilijk en heeft zijn nawerking tot op de dag van vandaag. Dat nabije verleden zit besloten in het door Molukse kunstenaar Yopie Abraham ontworpen monument dat op het marine-etablissement Kattenburg staat.

    Hoewel het vaak niet werd uitgesproken, voelden de kinderen en kleinkinderen dat de eerste generatie leefde met die frustratie uit het koloniale bestaan, met de trauma’s van twee oorlogen, en met heimwee naar het eigen land, familie en verwanten. Dat heeft maar al te vaak geleid tot ‘onverklaarbaar’ wangedrag in gezinnen, agressie, ruzies, echtscheidingen en afstand tussen gezinsleden en tussen marinefamilies.

    Ondanks dat alles, de eerste generatie wilde er in de eerste plaats voor zorgen dat hun nakomelingen hun plek in de Nederlandse samenleving konden vinden en het beter zouden krijgen dan zijzelf. Daarvoor zijn hun nazaten hun diep dankbaar. De nakomelingen van de Molukse marinemannen zijn een onlosmakelijk onderdeel geworden van de rijk gekleurde Amsterdamse en Nederlandse bevolking.